01 De geschiedenis
02 Karakter van het paard
03 Rassen
04 Het Exterieur
05 De zintuigen
06 De gangen
07 Het keuren van een paard
08 De geboorte van een veulen
09 De les
10 Paardrijden
11 De hulpen
12 Instructietermen
13 Accessoires
|
Welkom op deze informatieve pagina. Hierop vind je alles voor het houden van een geslaagde spreekbeurt over paarden en pony’s.
Het paard
Op dit onderdeel van de Madilly-site kun je informatie vinden over pony’s en paarden. Elke 2 weken ontdek je dingen die je (misschien) nog niet wist over jouw favoriete dier.
Je mag deze informatie uiteraard gebruiken voor spreekbeurten.
Veel plezier met het lezen over paarden en pony’s !!
Dikke knuffel van Madilly
De geschiedenis nr. 01
Het paard zoals wij dat nu kennen, is het resultaat van een lange evolutie. Het oerpaard leefde zo’n 60 miljoen jaar geleden en had een schofthoogte van 25 tot 45 cm. De voorouders van het tegenwoordige paard waren dus niet groter dan een hond.
Het oerpaard wordt ook wel Eohippus genoemd ofwel “Dageraadspaard”. Zowel het oerpaard als het tegenwoordige paard wordt ingedeeld bij een grote groep van zowel onevenhoevige kleine als grote plantenetende zoogdieren. Hun naam slaat op het feit dat zij aan elke poot een oneven aantal tenen hebben (vijf, drie of een). Eohippus heeft aan zijn voorbenen vier en aan zijn achterbenen drie ontwikkelde tenen.
Het uiterlijk van Eohippus had nog maar weinig weg van het uiterlijk van het huidige paard. De gezichtsbeenderen waren kort en hun gebit wees erop dat ze nog leefden van bladeren en kruiden, voedsel dat ze mogelijk aanvulden met kleine prooidieren.
Onder invloed van klimaatsveranderingen ontwikkelde de bouw en het uiterlijk van het paard zich door de eeuwen heen. Deze ontwikkeling ging gepaard met een wijziging in het voeding- en levenspatroon.
De voorvader van het paard was een typische alleseter die in tropische wouden een betrekkelijk beschut leven leidde. Door de klimaatveranderingen verdwenen deze wouden en maakten plaats voor uitgestrekte grasvlakten of steppen. Noodgedwongen paste het oerpaard zich aan en ontwikkelde zich tot een vegetarisch steppedier, een vluchtdier dat hoge snelheden moest kunnen bereiken.

De grotere snelheid die het paard op de vlakten kon ontwikkelen, leidde ertoe dat het alleen nog maar de middelste teen ging gebruiken. Dit had tot gevolg dat de buitenste tenen van de voor- en achtervoeten steeds kleiner werden. Uiteindelijk ontstonden er hoeven uit de aan elkaar vergroeide middenhands- en middenvoetsbeenderen. Tegelijkertijd werd het paard ook stukken groter, kreeg het een grotere schedelinhoud en door de nieuwe eetgewoonten veranderde het gebit. Uiteindelijk ontstond uit al deze transformaties het eindmodel van de paardenfamilie, de huidige Equus.
De domesticatie van paarden is later begonnen dan die van de meeste andere huisdieren. Domesticatie is het proces dat een diersoort ondergaat, als het van wild dier huisdier wordt. Het temmen en tot huisdier maken van wilde, woeste paarden vergt van de mens behoorlijk veel moed en doorzettingsvermogen, maar ook veel geduld en begrip voor het karakter van het dier. De domesticatie van het paard is ongeveer 5.000 jaar geleden voor het eerst begonnen in Aziatisch Rusland. Vervolgens verspreidde de domesticatie snel vanuit deze regio. De gedomesticeerde paarden zijn niet in te delen naar een ras, maar volgens onderzoekers zijn twee soorten vooral bij de oorspronkelijke Zuid-Russische domesticatie betrokken, namelijk het Przewalskipaard en de Tarpan.
Opmerkelijk is het feit dat het paard door de mens nooit hoofdzakelijk om zijn vlees en pels werd gehouden, zoals bij de meeste andere huisdieren wel het geval is geweest. De beslissende reden voor het gebruik van het paard is eigenlijk altijd zijn bijzondere lichamelijke en psychische geschiktheid voor het afleggen van grote afstanden geweest. Dit kon het paard bovendien sneller dan welk dier ook. Duizenden jaren lang was het paard in feite het enige snelle vervoermiddel voor de mens. Vooral bij conflicten en oorlogen, tot en met de Tweede Wereldoorlog toe, heeft hij vrijwel altijd een bepalende rol gespeeld. Zonder het paard zou de geschiedenis zeker een heel ander verloop hebben gehad!
Karakter van het paard nr. 02
Een paard is van oorsprong een kuddedier, een vluchtdier en een gewoontedier. Een paard heeft alleen tanden en hoeven als natuurlijk ‘wapen’ tegen de vijanden. Daarom zijn de paarden vroeger in kuddes gaan leven, want samen sta je sterker tegen de vijand dan alleen. Maar overal loerde het gevaar en het enige dat de paarden daartegen konden doen, is vluchten.
Het paard heeft nu nog steeds dezelfde instincten als het paard vroeger. Met de zintuigen kan het paard opmerken wat er in zijn omgeving gebeurt.
Kuddedier
Toen de paarden de bossen als leefgebied verruilden voor de steppes zijn de paarden in kuddes gaan leven. Het leven in groepen was veiliger omdat de paarden elkaar konden waarschuwen bij naderend gevaar. Dit was in het open terrein van groter belang dan in de beschermende bossen. Deze behoefte aan veiligheid leidde tot een sterk ontwikkeld kudde-instinct. Als kuddedier trekt het paard graag opmet andere dieren. Ook in de stal is het paard niet graag alleen en heeft het behoefte aan gezelschap. Hoewel weinig paarden tegenwoordig nog onder natuurlijke omstandigheden en in kuddes opgroeien, zijn paarden prima in staat zich binnen de kortste keren de taal, de gebaren en de bewegingen van de soort te “herinneren”, die bij de vorming van een kudde van belang zijn (het instinct van een paard). Ze gaan zich dus meteen gedragen zoals hun voorouders ook deden. Dat blijkt uit het snuiven bij de begroeting, het bepalen van de onderlinge hiërarchie, het sluiten van vriendschappen, het vluchten als er gevaar dreigt en het helpen van elkaar als dat nodig is.

Gedomesticeerde paarden beschouwen de mens als soortgenoot, als lid van de kudde. Het leven als kuddedier in een strenge hiërarchie zorgt ervoor dat paarden de mens gemakkelijk als een hogere rang erkennen. Zo knabbelen ze soms uit dankbaarheid aan de schouder van degene die hen borstelt en vluchten ze als ze van achteren benaderd worden. Paarden zien de mens dan als roofdier. Ze horen namelijk wel geluiden buiten het gezichtsveld om. Paarden moeten dus altijd aan de voorkant en op een rustige manier benaderd worden. En zonder angst. Paarden merken namelijk aan het stemgeluid van de mens of deze bang is. Angst van de mens maakt het paard bang, zodat het dier wat gaat dreigen. Het paard begrijpt de angst van de mens niet en zal hierop met verdedigen gedrag reageren.
Vluchtdier
Een paard is van nature niet agressief en het is geen strijder. Het is geen roofdier dat anderen dieren aanvalt en doodt om zich er mee te voeden. Het paard is echter zelf wel een prooi voor grote vleesetende dieren. De enige manier waarop het paard eraan kan ontkomen is door te vluchten. Het is er dus voortdurend op verdacht op de vlucht te moeten slaan en kan dan een grote snelheid ontwikkelen. Bij gevaar is de neiging om te vluchten bij paarden van nature erg groot. Ook als ze schrikken is dit hun eerste reactie. De gedomesticeerde paarden hebben nog steeds het instinct van het wilde paard. De paarden zoals wij ze kennen, zijn dus ook vluchtdieren en zullen proberen te vluchten voor wat ze eng vinden of waar ze van schrikken.
Ruimtedier
Omdat een paard in het wild zelf zijn voedsel moet zoeken en dat soms alleen kan vinden door grote afstanden af te leggen, is het een ruimtedier dat zich prettig voelt als het zich vrij kan bewegen. Daarom is het dagelijks veel stilstaan op stal verkeerd en moet het paard altijd zo veel mogelijk beweging krijgen.
Gewoontedier
Een paard kan de mens alleen vertrouwen als hij bij het africhten eerlijk en rustig wordt behandeld. Door zijn goede geheugen leert hij snel, maar vergeet hij opvoedingsfouten niet gemakkelijk. Daarom is het heel moeilijk een slecht afgericht paard weer in het gareel te krijgen. Ook traumatische ervaringen vergeet hij niet makkelijk. Een paard komt dan ook bijna nooit over schokkende ervaringen heen.
In hun strijd om te overleven hebben paarden vaak bewezen dat ze erg slim en intelligent zijn. Ze passen zich goed aan de natuurlijke omstandigheden aan, zowel wat klimaat als wat voedsel betreft. Elk klimaat heeft zo in een bepaalde bouw en aard geresulteerd; bijvoorbeeld robuust, stevig en taai in een ruig klimaat. Ook door hun aard wisten paarden zich aan te passen en in dienst te stellen van de mens. Paarden zijn natuurlijk verschillend van aard. Het ene is gewilliger, koppiger, trager of levendiger dan het andere en ook zijn lichaamsbouw stelt grenzen aan wat het paard kan leren. Toch is het aanpassingsvermogen van paarden bijzonder groot waardoor dit gewillige huisdier heel uiteenlopende taken voor de mens heeft leren verrichten: het dragen van lasten, het trekken van wagens, het veilig vervoeren van mensen, het springen over hindernissen en het uitvoeren van mooie passen. Hij is zelfs bereid door water te lopen en op te treden als betrouwbaar rijdier in gevaarlijke situaties, zoals bij sommige jachtpartijen en oorlogen.
Paardrijden betekent eigenlijk dat het paard uit de groep losgemaakt moet worden en dat het als individu bepaalde oefeningen gaat uitvoeren. De gehoorzaamheid aan de kudde moet dus veranderd worden in gehoorzaamheid aan de mens. Paarden zijn nogal schrikachtig. Om een paard goed te kunnen berijden, is het dan ook van belang dat het vertrouwen van het paard gewonnen wordt.
Rassen nr. 03
Ruim 3.700 jaar geleden ontdekte de mens dat het paard ook voor andere doeleinden gebruikt kon worden dan alleen om op te jagen. Het paard was bereid zich in te zetten voor de mensen. En daardoor had de mens er een hulpje bij. Het paard werd in eerste instantie vooral gebruikt als lastdier, mar later ook als rij- en trekdier.
Fokkers gingen de paarden selecteren naar deze functies, elke functie vereist immers eigen kenmerken. Daardoor is een tweedeling ontstaan; de pony en het paard. De pony heeft een stokmaat tot 1.48m en een paard heeft een stokmaat vanaf 1.57m. Daartussen in zit de
E-pony, dit zijn eigenlijk kleine paarden met een stokmaat vanaf 1.48m tot maximaal 1.57m. Naast de kleinere afmetingen onderscheidt de pony zich van het paard ook door andere eigenschappen. Doordat de pony in de natuur veel langer voor zichzelf heeft moeten zorgen dan elk ander paard, is de bouw gaan verschillen van het paard. Ook het karakter van de pony is anders, de pony beschikt over meer zelfvertrouwen. Enkele typische pony’s zijn de Welsh, de Haflinger, de IJslandse pony, de Fjord en de Shetlandpony.
De paarden kunnen in drie categorieën worden onderverdeeld: “volbloed”, “warmbloed” en “koudbloed”. Volbloedpaarden zijn de meest zuivere paarden. Deze volbloedrassen zijn niet vermengd geraakt met andere, minder edele, rassen. Deze edele paarden zijn lichter en ranker gebouwd. Onder volbloedpaarden worden de Arabier en de Engels volbloed gerekend, maar ook de Anglo-Arabier, een kruising tussen Engelse en Arabische volbloeden. Warmbloedpaarden zijn ontstaan uit kruisingen met volbloedpaarden. Afhankelijk van het percentage volbloed heeft een warmbloed veel of weinig adel. Deze afkomst is ook in hun karakter terug te vinden. Warmbloedpaarden zijn alert, levendig, nerveus en lichter gebouwd. Ze worden meestal als rijpaard gebruikt. Enkele typische warmbloedpaarden zijn de KWPN, de Hannoveraan, de Oldenburger en de Holsteiner. Koudbloedpaarden zijn niet gekruist met volbloed paarden en zijn daarom veel rustiger, massiever en sterker. Zij worden vooral als werkpaard ingezet. Enkele typische koudbloedpaarden zijn de Shire, het Belgisch trekpaard maar ook de Fries.
Enkele typische ponyrassen:
De Welshpony
Stokmaat: De Welsh Mountain-pony (sectie A) heeft een stokmaat van niet meer dan 120 cm. De secties B en K hebben een stokmaat van ten hoogste 134 cm.
Kleuren: schimmel, bruin en vos. Bonte pony’s worden niet erkend.
Karakter: De Welsh is intelligent, leergierig en heeft een groot uithoudingsvermogen
Land van herkomst: Engeland
De Haflinger
Stokmaat: 135 tot 145 cm
Kleuren: licht tot donker voskleurig met lichtblonde staart en manen
Karakter: De Haflinger is een intelligent, leergierig paardje met een vriendelijk karakter.
Land van herkomst: Oostenrijk
De IJslandse pony
Stokmaat: 125 tot 140 cm
Kleuren: IJslandse pony’s zijn meestal zwart of donkerbruin, maar vos, schimmel en heel soms bont komen ook voor. Vossen hebben vaak lichte manen en staart.
Karakter: De IJslandse pony is een vriendelijk, goedmoedig en betrouwbaar dier met een groot uithoudingsvermogen.
Land van herkomst: IJsland
De Shetlandpony
Stokmaat: maximaal 110 cm
Kleuren: vaak zwart, maar ook bruin, bont en schimmel
Karakter: Shetlanders zijn bijzonder vriendelijk en rustig en daarom ideaal als eerste kinderpony. Ze zijn bovendien intelligent en daarom gemakkelijk te beleren.
Land van herkomst: Noord-Schotland en de Shetlandeilanden
Fjordenpaard
Stokmaat: 132 tot 145 cm
Kleuren: vaal isabel met een deels donkere manenkam en een zwarte aalstreep (donkere streep van het hoofd tot de staart)
Karakter: De Fjord is een eigenzinnig, maar vriendelijk dier dat graag werkt.
Land van herkomst: Noorwegen
Enkele typische volbloedrassen:
Arabier
Stokmaat: 140 tot 150 cm
Kleuren: schimmel, vos, bruin, zelden zwart. Vaak witte aftekeningen op benen en hoofd.
Karakter: Arabische volbloeds zijn bijzonder intelligent en hebben een groot uithoudingsvermogen. Ze staan bekend om het vurige karakter.
Land van herkomst: Noord-Afrika
Engels volbloed
Stokmaat: tot 170 cm
Kleuren: Ze zijn er in alle kleuren en aftekeningen.
Karakter: Engelse volbloeds staan bekend om hun moedige, bijna onverschrokken en actieve karakter.
Land van herkomst: Engeland
Enkele typische warmbloedrassen:
KWPN (Koninklijk Warmbloed Paard Nederland)
Stokmaat: 165 tot 170 cm
Kleuren: bruin, donkerbruin en vos, met
eventueel witte aftekeningen. Zwart en
schimmel zijn zeldzamer.
Karakter: De Nederlandse warmbloed is een
gewillig, goedgehumeurd, vriendelijk en energiek paard.
Land van herkomst: Nederland
Wist je dat Idocus (het paard van Marlies van Baalen) een KWPN-er is?

Oldenburger
Stokmaat: 165 tot 175 cm
Kleuren: licht- en donkerbruin, schimmel en zwart
Karakter: Vriendelijk maar vrijmoedig van aard
Land van herkomst: Duitsland
Hannoveraan
Stokmaat: 160 tot 175 cm
Kleuren: Vooral vos, met witte aftekeningen, maar ook bruin, zwart, schimmel komen voor.
Karakter: De Hannoveraan heeft een heel goedaardig karakter en een meestal nog rustiger temperament.
Land van herkomst: Duistland
Trakehner
Stokmaat: 160 tot 170 cm
Kleuren: bruin, vos, zwart
Karakter: De Trakehner heeft levendig, taai, volhardend temperament en een goed karakter. Land van herkomst: West-Duitsland
Enkele typische koudbloedpaarden:
Shire
Stokmaat: ten minste 172 cm
Kleuren: zwart, bruin met grote witte aftekeningen en schimmel
Karakter: De Shire heeft een goedmoedig karakter en een rustig temperament.
Land van herkomst: Engeland
Belgisch trekpaard
Stokmaat: ongeveer 170 m
Kleuren: bruinschimmel, vos, licht- en donkerbruin
Karakter: Het Belgisch trekpaard is goedgehumeurd, levendig, taai en moedig en is een harde werker
Land van herkomst: België en Nederland
Fries
Stokmaat: 155 tot 160 cm
Kleuren: Friese paarden zijn altijd gitzwart, aftekeningen of andere kleuren zijn verboden
Karakter: Het Friese paard is een makke, levendige, maar gewillige werker. Het is een trouw en gevoelig paard.
Land van herkomst: Nederland
Het Exterieur nr. 04
Het uiterlijk van een paard wordt ook wel exterieur genoemd. De lichaamsbouw, de hoogte, de haarkleur en de eventuele aftekeningen bepalen samen het exterieur. Afhankelijk van het doel waarvoor het paard gebruikt gaat worden en het ras waartoe het behoort, worden verschillende eisen aan het exterieur gesteld.
De lichaamsbouw

De hoogte
De hoogte van een paard wordt de stokmaat genoemd, deze meet je door met een meetlat of meetlint van de grond tot het hoogste punt van de rug van het paard (de schoft) te meten.
Wist je dat het grootste paard dat ooit geregistreerd is een Shire-ruin genaamd Sampson was? De ruin werd in 1946 geboren en in 1950 had het de hoogte bereikt van 2.19 meter!
De haarkleur
De kleur van een paard is afhankelijk van de dekharen. De dekharen zijn de korte, vlakliggende haren die het paardenlichaam bedekken en beschermen. Aan de hand hiervan worden paarden verdeeld in 2 categorieën; de eenkleurige en de gemengd-kleurige paarden.
De eenkleurige
Zwart
Bruin
Vos
Schimmel
Wit
Koffievos |
De gemengd-kleurige
Isabel
Valk
Palomino
Bont
Zweetvos
|
De aftekeningen
Aan het hoofd:
-Sterretje
-Ruitvormig kolletje (grote) kol
-Ruitvormige (grote) kol
-Halvemaanvormige kol
-Druipkol
-Druppelvormige of streepvormige kol
-Halve smalle bles
-Smalle bles
-Doorlopende brede bles
-Doorlopende streepvormige bles
-Doorlopende bles, van onderen breed uitlopend over de bovenlip, beide neusgaten
-Onderbroken bles met sneb
-Onregelmatige doorlopende bles, rechterneusgat inbegrepen
-Onregelmatige doorlopende bles, bovenlip en beide neusgaten inbegrepen, donkere vlek op de bovenlip.
-Meelsnuit > Fjord, Exmoor
Aalstreep
|

|
Aan de benen:
-Witte kroonrand
-Sokje
-Sok
-Witvoet
-Half witbeen
-Witbeen
-Hoog witbeen
-Witte kroonrand, achter hoog oplopend
-Sok, achter hoog oplopend
(tot over de kogel)
-Sok voor en achter hoog oplopend
-Witvoet voor oplopend, donkere vlekken op de kroonrand
-Witvoet (binnen- of buitenwaarts, hangt ervan af welk been het betreft) oplopend tot halverwege de pijp
-Half witbeen voor oplopend (tot aan de voorknie)
|

Hoge witvoet
|
1 Maantop
2 Neus
3 Kingroeve
4 Keel
5 Schouder
6 Schoudergewrichten
7 Borst
8 Onderarm
9 Handwortel
10 Pijp
11 Kroon
12 Hoef
13 Hoefballen
14 Koot
15 Kogel
16 Pees
17 Elleboog
|
18 Flank
19 Knie
20 Schenkel
21 Zwilwrat
22 Spronggewricht
23 Hak
24 Zitbeenknobbel
25 Staartwortel
26 Kruis
27 Heupen
28 Lendenen
29 Rug
30 Schoft
31 Manen
32 Nek
33 Hals
|
De Zintuigen nr. 05
Het paard heeft nu nog steeds dezelfde instincten als het paard vroeger. Ondanks de beperkte ruimte waarin het paard tegenwoordig gehouden wordt, is het paard nog steeds een kuddedier en een vluchtdier. Met de zintuigen kan een paard opmerken wat in zijn omgeving gebeurt en hoe het daar op zou moeten reageren. Maar welke zintuigen heeft het paard en hoe gaat dat nou echt in zijn werking?
De zintuigen van een paard zijn onder te verdelen in het gezichtsvermogen (de ogen), het gehoor (de oren), de reuk (de neus), de smaak (de tong en verhemelte) en het gevoel (de huid).
Het gezichtsvermogen

Paarden hebben vrij grote ogen waarmee ze overdag en ’s nachts
goed kunnen zien. De ogen zitten echter op een andere plaats dan bij de mens, bij het paard zitten de ogen aan de zijkant van het hoofd. Daardoor kan een paard zonder met zijn hoofd te draaien bijna rondom kijken. Alles wat voor het paard gebeurt, ziet het met twee ogen. Wat opzij van het paard gebeurt ziet het maar met een oog. Wat helemaal achter het paard gebeurt, kan het niet zien. Je moet dus nooit een paard van achteren naderen omdat het paard dan kan schrikken. In de onderstaande afbeelding wordt het nog eens duidelijk afgebeeld. Om iets duidelijk te kunnen zien, moet een paard zijn hoofd buigen of opheffen. Een paard kan een paar honderd meter ver zien. Om te weten wat er op een grotere afstand gebeurt, beschikt het paard over een uitstekend gehoor en reukvermogen. Een paard kan geen diepte onderscheiden, een stuk papier of een schaduw kan daarom behoorlijk eng zijn voor een paard. De meest voorkomende reden waarom een paard schrikt, is dus meestal omdat het iets niet goed gezien heeft.
Het gehoor

Het paard hoort veel beter dan de mens. Het paard kan de
oren onafhankelijk van elkaar 180 graden draaien en ontvangt
daardoor allerlei geluiden uit de omgeving. Aan de manier waarop
het paard zijn oren houdt, kun de stemming van het paard zien.
Let daarom goed op de oren van het paard, dan zie je of het paard
bang, boos, slaperig of geïnteresseerd is. Als het paard het hoofd
opheft, de halsspieren aanspant en de oren scherp spitst, heeft het iets gehoord en is geïnteresseerd. Legt het paard zijn oren plat in de nek dan is het boos. Hangen beide oren een beetje opzij dan is het paard aan het doezelen.
De reuk

Paarden hebben een hele gevoelige neus. Ze herkennen vriend en
vijand aan hun geur. Bovendien herkennen een merrie en haar veulen elkaar aan hun lichaamsgeur. Maar ook kan een paard bijvoorbeeld ruiken of er andere paarden in de wei staan. Als een paard iets bijzonders ruikt, steekt het de neus in de lucht en trekt de bovenlip op. Dit heet flemen. Een hengst zie je vaak flemen als hij een merrie heeft ontdekt. Een paard kan ook ruiken of het drinkwater en het eten nog goed zijn. Als het paard het niet lekker vindt ruiken, zal hij het laten staan.
De smaak
Het smaakorgaan helpt het paard bij het onderscheiden van giftige planten van niet-giftige planten. Zo laten ze de giftige (delen van) planten meestal staan. Verder heeft het paard net als de mens een voorkeur voor of een afkeer van bepaalde smaken. In het algemeen houden paarden het meest van zoet. Maar een zure appel eten ze ook graag.
Het gevoel
De huid van een paard is erg gevoelig en speelt een belangrijke rol bij het verkennen van de wereld om het paard heen en de onderlinge contacten. Zo zullen paarden die elkaar aardig vinden, aan elkaar knabbelen en zich tegen elkaar aanwrijven. Dat de huis gevoelig is, zie je vooral als een vlieg op de huid van het paard zit. Het paard zal door te trillen met de onderhuidse spieren de vlieg proberen te verjagen. Ook de tastharen aan de onder- en bovenlip en rondom de ogen helpt het paard de omgeving verkennen. De tastharen rondom de ogen beschermen de ogen tegen verwondingen. Met de tastharen op de mond kiest een paard zijn voer. De meeste paarden vinden het fijn om op hun huid gekriebeld te worden, vooral onder hun kin en op hun neus.
De gangen nr.06
Een paard heeft in principe 3 gangen die in verschillende tempo gelopen kunnen worden.
Zo kan het paard stappen, draven en galopperen. In elk van deze gangen heeft het paard nog meer verschillende tempo, bijvoorbeeld arbeidsstap, middendraf en gestrekte galop.
De stap is een viertaktbeweging, dat wil zeggen dat het paard de vier benen om beurten verplaatst. Als je op het paard zit, kun je meetellen; een, twee, drie, vier en zo telkens weer.
Tussen de dressuuroefeningen door kan de stap gebruikt worden om het paard te laten uitrusten en zich te ontspannen. Er zijn vier soorten stap: middenstap, verzamelde, gestrekte en vrije stap. Bij de middenstap worden de teugels wat korter genomen, maar de beweging moet actief en regelmatig blijven. De achterhoeven worden iets over de indrukken van de voorhoeven neergezet. In de verzamelde stap maakt het paard kortere passen dan in de middenstap en heft het zijn benen iets hoger op. De hals is opgericht en het hoofd bevindt zich iets voor de loodlijn. Weer moet de beweging actief en regelmatig zijn. In de uitgestrekte stap zijn de passen krachtig en zo lang mogelijk. De achterbenen treden duidelijk voorbij de indrukken van de voorhoeven. Het paard mag zijn hoofd wat lager dragen zonder het contact met de teugel te verliezen. De vrije stap is een gang in rust. Het paard mag zijn hoofd en hals naar voren en beneden brengen.
De draf is een tweetaktbeweging, dat wil zeggen een diagonale beweging. Het linkervoorbeen wordt tegelijkertijd met het rechterachterbeen verplaatst en het rechtervoorbeen met het linkerachterbeen. Als je op het paard zit, kun je weer meetellen, maar ditmaal is het ritme een-twee, een-twee.
Ook de draf kent vier vormen: verzamelde draf, arbeids- en middendraf en gestrekte draf. Een paard dient in evenwicht te zijn voor begonnen kan worden met de verzamelde draf. Net als bij de stap geldt bij de verzamelde draf dat de bewegingen kort en verheven zijn. De achterbenen worden actief gebogen, de voorhand is licht en de hals is opgericht en gebogen. Tussen de verzamelde draf en de middendraf zit de arbeidsdraf. Ook hierbij is het evenwicht van groot belang. Het paard moet in de hand gesteld met regelmatige en veerkrachtige passen lopen. Vanuit een actieve achterhand is er een goede impuls. Bij de middendraf worden de passen wat langer en het paard mag zijn hoofd en hals iets verder naar beneden brengen. Het hoofd hoeft niet zo vlak voor de loodlijn gehouden te worden als in de verzamelde en arbeidsdraf. Bij de gestrekte draf maakt het paard zo groot mogelijke drafpassen, waarvoor een zeer krachtige impuls nodig is. Het paard mag zijn hals wat lager houden en langer maken, maar moet contact met de teugel bewaren. De passen dienen zo regelmatig mogelijk te zijn.
De galop een drietaktbeweging. Je hebt de linker- en de rechtergalop. Bij de linkergalop komt het linkervoorbeen verder naar voren dan het rechtervoorbeen, bij de rechtergalop het rechtervoorbeen. De linkergalop gaat als volgt; eerst het linkervoorbeen, dan het rechtervoorbeen tegelijkertijd met het linkerachterbeen en als laatst het rechterachterbeen. De rechtergalop gaat als volgt; eerst het rechtervoorbeen, dan het linkervoorbeen tegelijkertijd met het rechterachterbeen en als laatst het linkerachterbeen.
De meeste paarden zullen weinig of geen moeite hebben met de galop. Moeilijker voor het paard is constant aan het bit en in een rechte lijn te galopperen. In de verzamelde galop draagt het paard zijn hals goed opgericht en rond. Doordat de achterhand goed onder het lichaam komt, zijn de schouders soepel, vrij en beweeglijk. De sprongen in de verzamelde galop zijn relatief kort, maar zeer licht en beweeglijk. In de arbeidsgalop zijn alle benen actief. Met ruime, krachtige bewegingen springt het paard soepel voorwaarts. Tussen de arbeidsgalop en de gestrekte galop zit de middengalop. Vanuit de achterhand maakt het paard lange sprongen voorwaarts. Het hoofd mag iets verder voor de loodlijn uitkomen dan bij de arbeidsgalop en de verzamelde galop. Ook mogen hals en hoofd wat lager gehouden worden. In de gestrekte galop maakt het paard zo groot mogelijke galoppassen.
Het binnenachterbeen komt ver onder het lichaam, zonder daarbij evenwicht te verliezen. De hals mag wat langer worden en het hoofd wat verder omlaag gebracht, waarbij de neus enigszins naar voren wijst.
Jonge dieren die het nog moeilijk vinden om in evenwicht te galopperen, gaan vaak in de overkruiste galop. Dat wil zeggen dat het bijvoorbeeld met de voorbenen ‘links’ galoppeert en met de achterbenen ‘rechts’, dit zit voor de ruiter zit erg ongemakkelijk. De gekruiste galop moet meteen gecorrigeerd worden.
Het paard kan ook in de ‘verkeerde’ galop zitten, daarbij grijpt het buitenbeen naar voren in plaats van het binnenbeen. Als het paard ‘verkeerd’ aanspringt, moet je hem corrigeren. Het kan echter ook zo zijn dat je het paard vraagt om de contragalop. Deze oefening vergt veel lenigheid van het paard en wordt in dressuurwedstrijden gevraagd

Naast stap, draf en galop, de gangen die elk paard bezit, zijn er ook nog andere gangen. Deze extra gangen kunnen maar door een paar paardenrassen gelopen worden, de zogenoemde gangenpaarden.
Zo bezit de IJslandse pony over de telgang en de tölt. De telgang is een drafbeweging waarbij het rechtervoorbeen en het rechterachterbeen tegelijk naar voren worden gezet en ditzelfde geldt ook voor het linkervoor- en achterbeen. De tölt is een beweging die tussen de stap en draf in ligt. Ook de Standardbred heeft aanleg voor de telgang.
De Tenessee Walking Horse beheerst ook ongebruikelijke gangen; een langzame, vierledige stap waarbij het paard met de achterhoed ‘overstapt’ in de afdruk van de tegenoverliggende voorhoef. Bij elke pas knikt het paard met het hoofd; een snellere stap, waarbij het paard 30 tot 50 cm over de afdruk van de voorhoef heenstapt en een gemiddelde van 13 a 18 kilometer per uur kan halen; en een wiegende, sterk verzamelde galop.
Het keuren van een paard nr. 07
Voordat je een paard gaat aanschaffen, is het erg verstandig om het paard te laten keuren door je eigen of een onafhankelijke dierenarts. Als het paard goedgekeurd wordt, weet je ook zeker dat er niks aan de hand is met je toekomstige paard. Wil je je toekomstige paard laten verzekeren, vraag dan eerst na wat de verzekering eist wat betreft het keuren van een paard. Sommige verzekeringen verzekeren het paard alleen als het ook röntgenologisch goedgekeurd is.
Als eerste wordt het paard klinisch gekeurd, dat wil zeggen dat naar verschillende dingen gekeken wordt. De aftekeningen worden bekeken of ze kloppen met wat in de stamboekpapieren staat. De algemene gezondheid van het paard wordt bekeken. Daarbij wordt onder andere gelet op de ademhaling en heldere ogen. Het hele lichaam van het paard wordt door de dierenarts bevoelt op afwijkingen of andere rare dingen. De gangen van het paard worden bekeken aan de longe. Ook worden buigproeven gedaan om te kijken of het paard regelmatig loopt. Daarbij buigt de dierenarts een tijdje een been, waarna het paard in stap of draf weg moet lopen. Dit gebeurd bij alle vier de benen. Onregelmatigheden worden hierbij opgespoord.
Vindt de dierenarts, de toekomstige koper of de verzekering alleen een klinische goedkeuring niet genoeg, dan kun je het paard ook röntgenologisch laten keuren. Daarbij worden foto’s gemaakt van de gewrichten. Bij een röntgenologisch onderzoek is er de keus welke benen je gekeurd wil hebben. Je kunt bijvoorbeeld één been laten keuren, met de aanname dat de andere drie benen hetzelfde zijn. Maar ook alle vier de benen kunnen gekeurd worden.

Een keuring is een aankoopadvies van de dierenarts. Na klinisch en misschien röntgenologisch onderzoek geeft de dierenarts een advies aan de hand van wat de functie van het paard wordt. Het is geen verplichting om het paard na afkeuren niet meer te kopen, net zoals goedkeuren ook geen 100% garantie geeft.
Wordt het paard klinisch afgekeurd, dan wordt het röntgenologisch ook vaak afgekeurd. Als het paard klinisch goedgekeurd is en de röntgenfoto’s iets laten zien, dan is de keus aan de koper of het het paard wil kopen. De toekomstige functie van het paard wordt dan bekeken. De belangen van een toekomstig sportpaard zijn daarbij groter dan een toekomstig recreatiepaard. In het eerste geval wil men meestal een compleet goedgekeurd paard, terwijl de recreatieruiter met minder al genoegen neemt. Hierbij moet ook gezegd worden dat een keuring een momentopname is. Het kan zijn dat een paard vandaag goed gekeurd wordt en morgen ineens afgekeurd wordt.
Het feit dat een paard stamboekpapieren heeft, wil niet zeggen dat het paard goedgekeurd zal worden. Stamboekpapieren geven aan dat het paard ingeschreven staat bij een stamboek van een bepaald ras. Een stamboek is een dossier waarin de stammen van een ras en de daaruit geboren producten worden geregistreerd.
De geboorte van een veulen nr. 08
Normaal gesproken draagt een merrie ongeveer 11 maanden. Zorg dat de drachtige merrie ruim op tijd in een schone, ruime en rustige omgeving staat. Een paar dagen voor de geboorte van het veulentje zijn er veranderingen waarneembaar aan de achterhand van de merrie. Naast de staart kan je zien en voelen dat de spieren zacht zijn. De vorm van de buik van de merrie verandert meestal ook, doordat het veulen in de juiste positie gaat liggen. Zodra de merrie druppeltjes melk laat schieten uit de uier weet je dat het veulen niet lang meer op zich laat wachten.
De bevalling van een veulen bestaat uit drie fasen. Als eerste de voorbereiding en de ontsluiting, waarbij het veulen de juiste positie aanneemt en de baarmoedermond zachter wordt zodat deze meerekt. Dit duurt één à twee uur.

De volgende fase is de geboorte. Dat gaat bij paarden supersnel, gemiddeld 15 minuten. De geboorte begint met het breken van de waterblaas. Het vocht waar het veulen al die maanden in heeft geleefd, stroomt uit de merrie. Vlak daarna komt een wit vlies tevoorschijn. In dit vlies zit het veulen. Het veulen wordt geboren met de zijn beentjes naar voren, het ene beentje zo’n 15 centimeter voor het andere. Het hoofd ligt gestrekt op de benen, zodat het veulen in een gestroomlijnde duikbeweging naar buiten glijdt. De ademhaling komt binnen een halve minuut op gang, na vijf tot tien minuten ademt het veulen regelmatig. De navelstreng van het veulen breekt vanzelf en hoeft dus niet afgeknipt te worden. De merrie gaat haar veulen schoonlikken en neemt daarmee de geur van haar veulen op. Deze geur is belangrijk voor de herkenning. Het schoonlikken heeft ook het bevorderen van de bloedsomloop als functie. Binnen een uur hoort het veulen aanstalten te maken om overeind te komen en de uier van zijn moeder op te zoeken. De eerst melk, deze wordt biest genoemd, bevat veel stoffen die het veulen beschermen tegen ziektes en is dus erg belangrijk. Het veulen moet de biest binnen krijgen. In de biest zit ook een stofje dat ervoor zorgt dat het veulen de eerste darminhoud binnen zes uur afscheidt.
De laatste fase is de nageboorte. De nageboorte is niets anders dan de vliezen waarin het veulen heeft gezeten in de buik. Na de geboorte hoort de nageboorte binnen drie uur af te komen.
Wist je dat een merrieveulen verwacht kan worden als de dracht ongeveer 332 dagen duurt. Duurt de dracht 2 tot 8 dagen langer dan is de kans groot dat het een hengstveulen is?
De les nr. 09
Er zijn enkele dingen waar je op moet letten als je gaat paardrijden. Deze dingen komen telkens terug en het is dus makkelijk als je ze weet. De onderstaande “problemen” kunnen op de maneges verschillend zijn, maar over het algemeen gelden de volgende.
Als je je paard hebt opgezadeld en de rijbaan binnen wil komen, moet je goed uitkijken dat het paard voldoende ruimte heeft om goed door de deuropening te komen. Komt het paard klem te zitten, dan kan het schrikken en de volgende keer misschien niet meer door de deur willen. Kom nooit zomaar ineens de rijbaan binnen. Als er al andere ruiters in de rijbaan zijn, meld dan even dat je eraan komt door luid te roepen “Deur vrij” of iets anders wat per manege verschillend is. Zo kunnen de andere ruiters de ingang vrijhouden. Kijk voordat je binnenkomt even of de ingang ook echt vrij is en kom dan binnen.
Als je binnen gekomen bent, loop je naar de middellijn en zet het paard met het hoofd naar een lange zijde gericht. Het beste is om met de hele groep hetzelfde te doen. Vanaf de eerste les geeft de instructeur aan hoe het op die manege gedaan moet worden.
Voordat je opstijgt moet er nog nagesingeld en de beugels op maat gemaakt worden. Het nasingelen is omdat veel paarden op stal de buik uitzetten en daardoor kan de singel niet goed strak. Controleer ook of aan beide kanten de singel goed vast zit. De singel zit net strak genoeg als er nog een hand tussen kan. Houd bij beide handelingen de teugels vast, zodat het paard niet weg kan lopen. Na een paar rondjes gereden te hebben, kun je meestal de singel nog een paar gaatjes strakker maken.
Als je een paard overneemt van een ander, controleer je of de singel nog goed vast zit. De beugels maak je op maat. De vorige berijder kan zolang het paard voor je vasthouden.
Voordat je vanaf de plek op de middellijn wegrijdt, moet je goed kijken of je niemand in de weg rijdt als je rechtdoor naar de hoefslag gaat. Rijd altijd in stap weg en neem de kortste weg naar de hoefslag.
Als de instructeur de eerste minuten niet aanwezig is, kun je het paard zelf gaan losrijden. Met het losrijden wordt bedoelt dat je het paard opwarmt voor het werk. De eerste vijf minuten blijf je stappen waarvan de eerste paar minuten zelfs met lange (geen losse) teugel. Probeer lekker vlot door te stappen in een ritme. Blijf niet de hele tijd op de hoefslag, maar wend af en toe af naar de overkant terwijl je in hetzelfde ritme blijft. Geleidelijk neem je de teugels op maat en kun je wat overgangen naar de draf maken. Tegen die tijd zal de instructeur in de rijbaan zijn en je verder helpen.
Als je de instructeur niet begrijpt of als je niet hoort wat de instructeur zegt, laat het dan merken. Blijf niet aanmodderen.
Enkele andere “verkeersregels” zijn dat je met het passeren je elkaar de rechterhand moet kunnen geven (je passeert dus links van de ander). In stap laat je de hoefslag vrij, tenzij iedereen in stap gaat. Meestal hebben ruiters die linksom op de hoefslag rijden voorrang. Nooit halt houden op de hoefslag. Vraag aan de instructeur welke regels nog meer gelden.
Als na de les een volgende ruiter op jou paard gaat rijden, help deze dan met de beugels op maat maken door het paard zolang vast te houden en te kijken of de beugels gelijk hangen.
Als er niemand na jou op je paard hoeft te rijden, kan het paard naar stal gebracht worden. Voor het verlaten van de rijbaan geldt hetzelfde als voor het binnenkomen. Om botsingen te voorkomen roep je “Deur vrij”. Kijk ook of er niet toevallig net iemand bij de deur staat die naar binnen wil. Passeer elkaar niet in de deuropening, maar geef de personen die naar binnen willen voorrang. Je hebt daarna de ruimte in de stalgang. Vergeet niet voor het verlaten van de rijbaan de stijgbeugels op te steken zodat ze nergens achter kunnen blijven haken.
De instructeur zal voor het verlaten van de rijbaan gezegd hebben of je paard afgezadeld moet worden of niet. Moet het paard het zadel ophouden, maak dan de singel twee gaatjes losser. Dat is comfortabeler voor het paard. Staat het paard in een stand dan mag het hoofdstel af en de halsriem of het halster weer om. Staat het paard in een stal en moet hij ook het hoofdstel omhouden dan haal je het uiteinden van de teugel achter een beugel langs zodat het paard niet op de teugel kan trappen.
Moet het paard afgezadeld worden en staat het in een stand dan neem je eerst het hoofdstel af en doe je de halsriem of halster weer om. Hang het hoofdstel om je schouder en zadel dan af door de singel aan de linkerkant van het paard los te maken. Staat het paard in een stal dan haal je eerst het zadel eraf. Blijf daarbij wel het paard vasthouden door een arm door de teugels te doen. Daarna neem je het hoofdstel af. Het bit spoel je even af tot het weer schoon is en dan kun je het zadel en het hoofdstel terughangen in de zadelkamer. Hang het hoofdstel zo terug dat het niet in de knoop hangt.
Op sommige maneges is er de gelegenheid om na het rijden de benen van de paarden af te spuiten in een speciale wasgelegenheid. Je kunt ook even de plekken waar het zadel en hoofdstel hebben gezeten afsponzen. Beloon het paard met een welgemeend klopje op de hals en een vriendelijk woord en misschien een traktatie (vraag wel even aan de instructeur wat je wel en niet mag geven).
Als iedereen deze regels naleeft, zal alles veel makkelijker gaan in de rijbaan.
Paardrijden nr. 10
De zit van de ruiter
Een juiste houding is erg belangrijk als je goed wilt leren paardrijden. Een foute houding is uiteindelijk voor jezelf niet prettig, maar stoort ook het paard in zijn bewegingen. De juiste houding wordt al vanaf de eerste les aangeleerd en in de gaten gehouden door de instructeurs.
Rechtop zitten en de schouders ontspannen naar achteren en naar beneden houden, is de juiste houding. De bovenarmen hangen losjes naar beneden en de ellebogen mogen niet uitsteken. De onderarmen worden in dezelfde lijn als de teugels gehouden, ze zijn als het ware een verlengstuk. De handen worden rechtop en gesloten gehouden ongeveer een handbreedte boven de manenkam, met de duimen naar boven en de knokkels naar voren. De teugels worden van onder naar boven door de hand gehaald. Beginnend bij het bit gaan de teugels door naar de hand, tussen de pink en ringvinger omhoog en tussen de wijsvinger en duim door. De uiteinden laat men hangen. De polsen zijn ontspannen, zodat soepel de bewegingen van de paardenmond gevolgd kunnen worden. De teugels zijn altijd licht gespannen, zodat er contact is met de paardenmond. Het bovenbeen en de knie liggen ontspannen aan het zadel. De stand van de knie mag niet veranderen, waardoor het onderbeen een vaste ligging heeft. Het onderbeen hangt losjes naar beneden en ligt op of achter de singel. De bal van de voet steunt in de beugel en de hak is naar beneden gericht. De punt van de voet steekt daarbij recht naar voren.

Door te lange of te korte beugels wordt het moeilijk om een juiste houding tijdens het paardrijden te houden. De lengte van de beugels is dus van groot belang voor een goede zit. Voor het opstijgen, worden de beugels op maat gemaakt door ze te meten aan een uitgestrekte arm. De precieze maat wordt bepaalt als je op het paard zit. De instructeur kan je daarbij helpen om de goede maat te vinden.
Bij de goede houding is een denkbeeldige lijn te trekken van het hoofd, via de heupen naar de enkels. Dit kan je controleren in de spiegels die in de rijbak hangen op de maneges.
Tip: leuk om ze naar elkaars houding te laten kijken en zeggen wat fout is, door naar anderen te kijken leert men zelf ook. Zit je nog goed?
De hulpen nr. 11
Hulpen zijn aanwijzingen van de ruiter voor het paard om zijn wensen kenbaar te maken. De ruiter geeft deze hulpen met het zitvlak, de benen, de handen en de stem. Naast de stemhulpen, die steeds minder gebruikt zullen worden, zijn er been-, teugel- en gewichtshulpen.
Beenhulpen
Met de benen van de ruiter wordt de achterhand van het paard, de voorwaartse bewegingen, de wendingen en het evenwicht beheerst. Met het binnenbeen spoor je aan, versnel je en maak je de grote wendingen. Met het buitenbeen wordt de achterhand gecontroleerd. Het gebruik van beide benen tegelijk houdt het paard in evenwicht.
Een paard moet al reageren op een lichte kuitdruk. Doet een paard dit niet dan kan gebruik gemaakt worden van een rijzweep. Zodra het paard niet reageert op de kuitdruk, geef je het gelijktijdig met de kuitdruk een tikje met de rijzweep op de schouder. De kuithulpen kunnen ook ondersteunt worden door het gebruik van sporen, maar deze mogen pas gebruikt worden als de onderbenen volledig onder controle van de ruiter zijn.
Teugelhulpen
Het contact met de paardenmond gaat via de teugels. Door iets weerstand te bieden, geeft de ruiter aan dat hij naar een lager tempo wil overgaan of halt houden. Weerstand bieden betekent echter niet trekken. De paardenmond is erg gevoelig en trekken aan de teugels doet het paard pijn. Teugelhulpen vormen een onderdeel van een geheel aan aanwijzingen, die de ruiter met de zit en de kuiten geeft.
Gewichtshulpen
Met gewichtshulpen kan de ruiter de kuit- en teugelhulpen ondersteunen. Gewicht is ook een extra hulp bij het besturen van het paard.

Instructietermen nr. 12
Tijdens het rijden worden door de instructeur verschillende termen genoemd als aanwijzingen om het paard beter te laten lopen. Vaak worden deze termen niet meteen begrepen. Hieronder staan enkele veel voorkomende instructietermen.
De rijbaan verdelen
De rijbaan verdelen betekent dat alle ruiters op min of meer gelijke afstand van elkaar gaan rijden. Er is dan geen voorste of achterste ruiter meer.
“uit elkaar vallen”. Met het uit elkaar vallen van een paard wordt bedoelt dat er geen goede verbinding meer tussen de voor- en achterhand van het paard is. Het paard strekt de hals, houdt het hoofd omhoog, de rug wordt daardoor hol en de achterbenen komen niet meer goed onder het lichaam en zetten niet meer krachtig af. Om dit te voorkomen, moet je goed drijven om de achterbenen weer goed onder het lichaam te krijgen en krachtig af te laten zetten. Ook moet je een stevige verbinding met de paardenmond onderhouden. Daardoor houdt je het paard als het ware iets tegen waardoor de energie van het paard weer onder controle gehouden wordt.
Verzamelen
Het doel van verzamelen is het ontwikkelen en verbeteren van het evenwicht van het paard. Een verzamelt paard buigt de gewrichten goed, zet krachtig af en zet de achterbenen goed onder het lichaam. Zijn gewicht komt meer op de achterhand en het hoofd komt iets voor de loodlijn.
“aan de teugel”. Een paard loopt aan de teugel als hij gewillig het bit aanneemt en met een beheerste drang naar voren, ongedwongen, kalm en gehoorzaam onder de ruiter gaat op de rechte lijn recht en in een wending gebogen. Het heeft daarbij een ontspannen nekgewricht en de hals buigt opwaarts. “Aan de teugel” is geen hoofdhouding die wordt afgedwongen! Een paard gaat “achter de teugel” als hij zich aan de teugelhulpen wil onttrekken door de kin naar de borst te brengen.
Tegen de hand drijven
Bij deze term is het de bedoeling dat het paard in de hand gesteld wordt, dat wil zeggen dat het paard gehoorzaamt aan de teugelhulpen. Er moet een goede verbinding tussen de handen en het bit zijn die tot stand komt door goed te drijven en het paard ook weer genoeg op te vangen, dat wil zeggen tegenhouden. Het paard moet actief bezig zijn.
Been geven of “Drijven
Hiermee wordt het aandrukken met de binnenbovenkant van de kuiten bedoelt. Het been ligt altijd gesloten tegen het paard. Klapperen, schoppen en porren is dus niet de bedoeling. Ook de hakken optrekken bij het drijven mag niet gebeuren. De knie moet ontspannen tegen het zadel liggen en naar beneden wijzen. Niet klemmen met de bovenbenen. Bij het lichtrijden moet aangedreven worden als men zit in hetzadel.

Handen sluiten
Een ander woord voor handen sluiten is een halve ophouding maken, waardoor het paard attent wordt gemaakt op wat er gaat gebeuren. Bij een ophouding bieden de handen eerst weerstand en ontspannen zich vervolgens, terwijl het paard met de zit en de kuiten wordt aangedreven. Bij een halve ophouding gaat het paard over op een langzamere gang of een langzamer tempo. Dressuurruiters gebruiken de halve ophouding als het ware als versnellingspook.
Een hele ophouding maken
Door een hele ophouding te maken, wordt een paard tot stilstand gebracht. De hele ophouding wordt vooraf gegaan door een halve ophouding. Het is beter de hele ophouding te herhalen dan te gaan trekken. Naast de hele ophouding maak je je lang in het zadel. Blijf rechtop zitten en houdt de handen laag en niet doortrekken.
Op de voorhand gaan
Hoofd en hals worden laag gehouden, de achterbenen worden nauwelijks gebogen en niet ver naar voren gebracht en het lijkt of het hele gewicht van het paard op de voorbenen steunt. Het paard actief maken door flink drijven en genoeg opvangen (tegenhouden) zonder te trekken, is de oplossing.
Hals laten strekken
Het hals strekken wordt vaak als beloning voor het paard gebruikt omdat het zich dan even kan ontspannen. Een paard de lange teugel geven, is hetzelfde als de hals laten strekken. Door de handen een beetje te openen, kan het paard de teugel meetrekken en kan het zelf kiezen hoever het de hals wil strekken. Er moet altijd contact blijven met de paardenmond, de teugels dus niet helemaal losgooien. Na het hals strekken moeten de teugels weer op maat gemaakt worden. Dat wil zeggen dat de spanning weer op de teugels gekregen moet worden. Na aandrijven komt het hoofd weer omhoog en kunnen de teugels ingekort worden tot er weer genoeg spanning opstaat.
Op de singel en Achter de singel
Het been ligt op de singel als de stijgbeugel evenwijdig hangt aan de singel. Het been ligt achter de singel als de stijgbeugel achter de singel komt te hangen. Trek daarbij nooit de hakken op en overdrijf het naar achteren brengen niet. De instructeur zegt deze term vaak samen met het binnen- en buitenbeen. Het binnenbeen is het been aan de kant waar je heen draait en het buitenbeen het tegenovergestelde been.
Tegen de hand gaan
Het paard gaat tegen de hand als het zich verzet tegen de teugelhulpen door terug te trekken. Het bolt daarbij de onderkant van de hals en de bovenkant van de hals wordt hol. De rug wordt ook hol getrokken. Door het paard even de hals te laten strekken en daarna weer de teugels op maat te nemen, kun je dit tegen gaan. Ga niet trekken, houdt een soepel contact met de paardenmond.
Spelen met de teugels
Hierbij worden om en om halve ophoudingen gemaakt. Dit kan om en om van linker- naar rechterhand zijn, maar ook bij een teugel. Doordat de spanning op de teugels steeds even anders is, gaat het paard op het bit letten en het goed aannemen.
Weerstand bieden
Weerstand bieden is het tegenhouden met de handen (opvangen) van de drang naar voren. Sluit even de handen, waardoor de teugelvoering star wordt. Zodra het paard niet meer terugtrekt (nageeft), moet de starheid opgeheven worden.
Nageven en Toestaan
Nageven volgt op het weerstand bieden. Het is de opheffing van de spanning op de teugel door het paard of de ruiter. Het meegaan van de handen met de beweging naar voren is toegestaan. De teugels mogen hierbij nooit slap komen te hangen, want dan verlies je het contact met de paardenmond.
Aanleuning
Als een paard constant aan de teugel loopt, zich ontspant en de achterhand correct gebruikt, wordt gesproken van aanleuning. De juiste aanleuning wordt bereikt door een goede weerstand biedende hand, die het contact met het paard opvangt zonder aan de teugels te trekken.
Impuls
Impuls is de drang naar voren die de ruiter opwekt bij het paard en die hij volledig onder controle heeft. Je kunt alleen rijden met impuls als er een goed samenspel is tussen de drijvende hulpen en de teugelhulpen. Het gaat er bij het rijden met impuls niet om de gang te versnellen, maar met opgewekte drang de achterhand als het ware onder het paard te drijven.
Stelling
Een paard loopt in de rechter- of linkerstelling wanneer er een lichte buiging van hals of lichaam naar een van beiden zijde is. Gesproken wordt over linker- en rechterstelling van het hoofd als het paard zijn hoofd ten opzichte van zijn hals wat naar links of rechts plaatst zonder het te kantelen.
Overgangen maken
Onder een overgang wordt het wisselen van een snellere naar een langzamere gang en omgekeerd verstaan. Een overgang binnen dezelfde gang is ook mogelijk, maar deze worden tempowisselingen genoemd. Door het maken van overgangen wordt de achterhand van het paard gymnastisch ontwikkelt. Overgangen en tempowisselingen moeten goed te zien zijn, maar vloeiend en soepel worden uitgevoerd, zonder dat de drang naar voren wordt onderbroken. De gang waarin het paard gaat, moet worden volgehouden tot op het ogenblik dat de nieuwe gang wordt ingezet.
Overstappen
Een paard stapt over wanneer het zijn achterhoeven voorbij de indrukken zet die zijn voorhoeven hebben achter gelaten.

Accessoires nr. 13
Naast de standaard uitrusting van het harnachement zoals het zadel en het hoofdstel zijn er ook nog vele andere hulpmiddelen.
Hulpteugels
Hulpteugels zijn extra teugels die gebruikt kunnen worden om het paard de juiste bewegingen en houdingen te laten herkennen en aan te leren. Belangrijk is wel dat deze teugels op de juiste manier gebruikt worden. Ga daarom nooit zomaar experimenteren met hulpteugels als een paard iets niet doet wat jij wil.
De martingaal
Een martingaal moet beletten dat een paard zijn hoofd te ver omhoog brengt, waardoor de ruiter het contact met de paardenmond verliest en dus geen contact meer heeft met het paard. Zolang het paard het hoofd op de gewenste goede hoogte houdt, werkt de martingaal niet in op het paard.
Als een paard een martingaal om moet, moet je eerst de halsriem van de martingaal om de hals van het paard doen met de gesp aan de linkerkant. Dan doe je het hoofdstel in en haal je de teugels door de ringen van de martingaal, let daarbij wel op dat de ring rechtop blijft. Maak de teugels aan elkaar vast zonder dat ze gedraaid zitten. Leg het zadel op en haal de borstriem van de martingaal tussen de voorbenen door en haal de singel door de lus van de borstriem. Nu kun je aansingelen, zorg er wel voor dat de riem netjes midden tussen de voorbenen blijft ook na het nasingelen. Een goede martingaal zit niet te los of te strak. Dit kan je checken door te kijken of de halsriem mooi losjes rond de basis van de hals hangt. De riem die tussen de benen doorgaat, hangt een beetje door en de ringen van de martingaal moet je tot de hoogte van de schoft of iets eronder kunnen trekken.
Bijzetteugels
Bijzetteugels zijn korte, verstelbare riemen die worden vastgemaakt aan de bitringen of de ringen van een kaptoom. Deze hulpteugels zijn bedoeld om het hoofd op een bepaalde plaats te houden en worden meestal bij het longeren gebruikt.
Bijzetteugels moeten zo strak zitten dat het paard zijn hoofd iets voor de loodlijn houdt. Als je gaat longeren moet de bijzetteugel aan de binnenkant (jouw kant) minstens drie gaatjes korter zijn dan de bijzetteugel aan de buitenkant. Vergeet niet te wisselen als je het paard de andere kant op laat lopen. Bij het rijden kun je ze het beste voor de borst langs kruisen, dan kan het paard gewoon zijn hoofd naar links en rechts bewegen. De lus van de bijzetteugel gaat om de singel, boven de lus van het sjabrak waar de singel doorgaat, zo zakt de bijzetteugel niet af. De haken worden aan de bitringen bevestigd.
Slofteugel
Een slofteugel is een hulpteugel die gebruikt wordt om het paardenhoofd naar beneden te dwingen. De teugel kan onder de zweetbladen of tussen de voorbenen door aan de singel worden bevestigd. Een slofteugel kan bij verkeerd gebruik veel schade aanrichten bij het paard en daarom is het verstandig om deze teugel alleen te laten gebruiken door deskundige ruiters.
Thiedemann
Een Thiedemannteugel schakelt automatisch in als het hoofd van het paard te hoog geheven is of als de hals te lang gestrekt is. Bij een juiste houding van het paard is de teugel buiten gebruik.
De Thiedemannteugel moet op de volgende manier bevestigd worden. Doe het hoofdstel in, maak de halsriem van de Thiedemannteugel los en leg hem rond de halsbasis. Maak hem zo vast dat er nog een hand tussen past en kijk goed na of de teugels er niet tussen zitten. Haal nu de linker dunne riem door de linker bitring, onder de teugel langs en maak het haakje aan (een van) de ring(en) van de teugel vast. Doe hetzelfde aan de rechterkant. Leg het zadel op en haal de borstriem tussen de voorbenen door en haal daar de singel door. Zorg er voor dat de riem midden tussen de voorbenen zit, ook als het paard is nagesingeld. De Thiedemannteuegl moet zo strak zitten dat hij pas in werking komt als het paard zijn hoofd te ver naar voren brengt.
De benen van een paard zijn heel belangrijk, maar ook erg gevoelig voor blessures. Daarvoor zijn de beenbeschermers.
Peesbeschermers
Peesbeschermers worden alleen aangebracht aan de voorbenen en zijn van voren open. De gespen of klipjes om de peesbeschermers dicht te maken, zitten altijd aan de buitenkant en de riempjes naar achteren wijzen als ze vast zitten. Leg de peesbeschermers iets te hoog tegen het been en schuif hem naar beneden, zodat de haren eronder glad liggen. De riempjes of gespjes kunnen nu vast gemaakt worden.
Pijpkousen
Pijpkousen geven steun en beschermen tegen schaven. Ze kunnen om alle vier de benen bevestigd worden en omvatten de hele pijp van het been. De gespen moeten aan de buitenkant zitten en de riempjes naar achteren wijzen als ze vast zitten. Ook de exemplaren met klittenband moeten zo bevestigt worden dat de uiteinden naar achteren wijzen.
Bandages
Bandages zijn er om de benen van het paard tijdens het rijden bescherming en steun te geven. Het is belangrijk dat ze op de juiste manier worden aangebracht. Bandages die te strak zitten, hinderen de bloedsomloop en bandages die te los zitten, kunnen tijdens het rijden afgestroopt worden en dat kan weer ongelukken veroorzaken.
Begin vlak onder de voorknie of het spronggewricht bij het achterbeen en wikkel een slag om het been. Vouw nu een beginpuntje over die eerste slag en wikkel daarna de bandage naar beneden af. Elke slag bedekt minstens een derde van de vorige slag. Werkbandages gaan tot op de kogel, stal- en reisbandages gaan tot over de kogel. Wikkel weer naar boven en weer naar beneden tot je halverwege uitkomt. Maak de bandjes zo vast dat de strik aan de buitenkant van het been komt. Leg een knoop in de strik en sla de laatste slag erover heen om hem weg te werken. Een klittenbandsluiting moet ook aan de buitenkant komen.
Springschoenen
Springschoenen worden gebruikt om de kroonrand en de ballen van de voet te beschermen. Dit kan vooral bij het springen nodig zijn. Springschoenen zijn van rubber.
Er zijn twee verschillende springschoenen. Springschoenen die je met een riempje of klittenband vast kunt maken en springschoenen die rondom dicht zijn. Deze keer je binnenste buiten, til de voet van het paard op en trek de springschoen over de hoef en wel zo dat het smalste gedeelte het laatst erover gaat. Dit kan kracht kosten. Je kunt gerust met twee handen trekken als de hoef er eenmaal een stukje inzit. Zit hij eenmaal over de koot, dan keer je hem weer normaal.
Strijkkappen
Strijkkappen beschermen de kogels van paarden die met hun hoeven tegen hun tegenovergestelde kogel komen met het lopen.
Ze moeten zo bevestigd worden dat de beschermer over de binnenkant van de kogel zit met de gesp aan de buitenkant.
|